PISA 2026: drie reflecties over de dalende leesvaardigheid
De OESO heeft gisteren de PISA-scores1 gedeeld. De resultaten van het Programme for International Student Assessment (PISA) zijn aanleiding om na te denken over wat we zien, wat dat betekent, wat we daarvan vinden en wat we daaraan willen doen. Het meest opvallende punt: de Nederlandse leesvaardigheid daalt opnieuw. De reflexmatige reacties kennen we inmiddels: meer geld, meer toezicht of kritiek op PISA zelf. Ook over de oorzaken valt veel te zeggen. Het gaat mij hier echter niet om de vraag waardoor de leesvaardigheid daalt, maar om de vraag wat wij kunnen doen om die daling te keren.
In dit artikel beschrijf ik drie reflecties over de dalende leesvaardigheid: (1) zet de docent aan het roer, (2) zonder zicht geen verbetering en (3) bij dit maatschappelijk probleem is de vraag ‘wat kun jij doen?’. Het zijn reflecties die voortkomen uit de manier van werken bij Luzac. Vanuit een stevige onderwijsvisie werken wij gezamenlijk aan het continu verbeteren van ons onderwijs. Een voorbeeld daarvan is het versterken van het curriculum met de expliciete inzet van basisvaardigheden.
Natuurlijk valt er over de methodiek van PISA te discussiëren en ook over dat PISA niets zegt over de kern van het onderwijs: de wereld openen voor de leerling. Tegelijkertijd blijft overeind dat Nederlandse leerlingen op leesvaardigheid opnieuw lager scoren dan voorheen. Onderwijs is meer dan wat PISA meet, maar dat betekent niet dat we deze signalen kunnen negeren.
1. De rol van docenten
In reacties op de PISA-scores lees je vaak dat de overheid meer moet doen: er moet bijvoorbeeld meer geld naar onderwijs en de inspectie moet beter toezien op taalvaardigheid in het onderwijs. In het rapport van PISA staat expliciet dat meer geld voor onderwijs niet leidt tot betere prestaties. Daarnaast kan de Inspectie natuurlijk streng inspecteren op basisvaardigheden. Daarmee verandert echter de praktijk in de klas niet structureel.
Wat werkt wel? Docenten weten heel goed wat er nodig is om de leesvaardigheid te verbeteren. Docenten moeten daarom de ruimte krijgen om (1) samen na te denken hoe taalvaardigheid (en daaronder leesvaardigheid) in beleid gevat kan worden en (2) hoe dit beleid vervolgens in de klas toegepast kan worden. Dat zijn twee verschillende stappen die lang niet altijd gezet worden in het onderwijs. Beleid wordt vaak gemaakt door schoolleiding en beleidsadviseurs, terwijl de toepassing ‘als vanzelf’ in de klas verwacht wordt. Uit onderzoek blijkt dat dit twee afzonderlijke stappen zijn, die beide door de docenten gezamenlijk gezet kunnen worden. Dat legt een stevige basis voor verandering in de lespraktijk2.
2. Zonder zicht geen verbetering
Naast de stappen die hierboven zijn beschreven is een volgende stap cruciaal: meet of datgene wat je wilde (stap 1 en 2) daadwerkelijk zichtbaar is in de praktijk. Niet om individuele docenten af te rekenen, maar om samen te bepalen: wat zien we, wat betekent dat, wat vinden we ervan en wat willen we daaraan doen? Je kunt bijvoorbeeld meten hoe vaak een leerling zelfstandig leest in een les. Zo wordt inzichtelijk wat er in de lespraktijk (en niet alleen bij de taalvakken) aan taalvaardigheid gedaan wordt.
Een andere manier van meten is het gebruik van de Leerling in Beeld toetsen. Zo volg je via een onafhankelijk instrument hoe leerlingen scoren op onder andere taalvaardigheid ten opzichte van de referentiegroep. De uitkomsten hiervan kunnen aanleiding zijn om op leerlingniveau extra ondersteuning te bieden of juist op klasniveau zaken anders aan te pakken.
3. Maatschappelijk probleem
Tenslotte is de dalende leesvaardigheid een maatschappelijk probleem. Er ontstaat een gevaar door dat te stellen. Het is dan immers heel makkelijk om allerlei actoren in de maatschappij aan te wijzen die iets anders moeten doen. De overheid, de minister, de inspectie, de school: wie ook maar. Dit naar elkaar wijzen lost het probleem niet op. Het ‘maatschappelijke’ is dan een makkelijke boom om achter te schuilen en het probleem wordt van iedereen en daarmee van niemand. Dat neemt niet weg dat we de dalende leesvaardigheid met elkaar een probleem vinden.
Ik pleit ervoor om dit maatschappelijke probleem ieder vanuit een eigen rol en verantwoordelijkheid aan te pakken. Daarbij is onderwijs uiteraard in beeld met schoolleiders en docenten, maar ook de overheid met faciliterend beleid en middelen, de onderwijsinspectie met stimulerend toezicht en zeker ook ouders, die een belangrijke rol hebben in het begeleiden en stimuleren van leesvaardigheid door bijvoorbeeld voor te lezen aan (jonge) kinderen3.
Het maatschappelijke probleem van de dalende leesvaardigheid brengt ons eigenlijk bij de kern van onderwijs zelf. Die kern gaat erom de wereld te openen voor de leerling, zodat de leerling de wereld leert begrijpen en leert te begrijpen wat de wereld van de leerling vraagt. Zoals Gert Biesta stelt: de wereld klopt op de deur van de leerling. Zo klopt het probleem van de dalende leesvaardigheid op onze deur met maar één vraag: “Is daar iemand?”